Filosofie | filosowie

De azijndrinkers

Het thema van deze allegorie is op een klassieke wijze op een rol geschilderd. Deze afbeelding is in heel China bekend. Je ziet drie mannen rond een vat azijn staan. Ze hebben elk hun vinger in het vat azijn gedoopt. Uit de gezichtsuitdrukking van ieder blijkt hun individuele reactie. Dit zijn geen gewone azijnproevers, maar vertegenwoordigers van de drie geestelijke stromingen in China. De azijn die ze proeven staat voor de essentie van het leven. De drie meesters zijn K’oeng Foe-tse (Confucius), Boeddha en Lao-tse (auteur van het oudste bestaande boek over het Taoïsme; de Tao Tse Tsjing).

K’oeng Foe-tse kijkt zuur. Voor hem deed het leven nogal zuur aan. Hij geloofde dat het heden niet in de pas liep met het verleden en dat het menselijk bestuur op aarde niet in harmonie was met het Universum (de Hemelse Weg). Hij hechtte veel waarde aan eerbied voor zowel de voorouders als oude rituelen en ceremoniën. Volgens hem was de keizer een tussenpersoon tussen de grenzeloze hemel en de begrensde aarde. Alles was nogal strikt en volgens voorgeschreven regels. Het Confucianisme bestaat uit een buitengewoon ingewikkeld stelsel van rituelen die elk op een bepaald tijdstip een bepaald doel dienden. Dit werd zeer ver doorgevoerd.

Voor Boeddha, de tweede figuur op de voorstelling, was het leven op aarde bitter, hij kijkt ook bitter, vervuld van gehechtheid en begeerten wat het lijden voortbracht. De wereld werd beschouwd als een illusie, een rondwentelend wiel van pijn voor alle schepselen. Om vrede te bereiken, moesten de Boeddhisten boven ‘de wereld van het stoffelijke’ uit stijgen. Door de optimistische houding van de Chinezen werd het Boeddhisme aanzienlijk veranderd. Maar de vrome boeddhist zag zijn weg naar het Nirwana vaak belemmerd door de bittere wind van het bestaan.

De derde man, Lao-tse (Laozi), glimlacht als hij de azijn proeft. Volgens Lao-tse kon de natuurlijke harmonie die vanaf het eerste begin bestond tussen hemel en aarde door iedereen worden gevonden, op ieder willekeurig tijdstip, maar niet door de regels van het Confucianisme te volgen. De aarde was een afspiegeling van de hemel en werd geregeerd door dezelfde wetten, maar niet door de wetten van de mensen. Lao-tse was van mening; hoe meer de mens ingreep in het natuurlijk evenwicht van de universele natuurlijke wetten, hoe meer de harmonie verdween. Hoe meer de mens forceerde, hoe meer moeilijkheden. Zwaar of licht, nat of droog, snel of langzaam, licht of donker, snel of langzaam, alles droeg zijn eigen aard in zich (het ying-yang principe). Wanneer men de aard der dingen geweld aan doet zou dit vele problemen veroorzaken. De wereld was voor Lao-tse een leermeester die waardevolle lessen leerde. Als de lessen werden geleerd en de natuurlijke wetten werden nagevolgd dan zou alles goed gaan. De werkzame kracht die hij zag achter alles in hemel en aarde noemde hij Tao, ‘de weg’.

Lao-tse glimlacht op deze afbeelding terwijl de azijn toch vies moet smaken. Door in harmonie te werken met de levensomstandigheden verandert de Taoïstische opvatting datgene wat anderen misschien als negatief ervaren in iets positiefs. Zuurheid en verbittering komen voort uit de geest, die verstorend werkt en geen waardering kent. Het leven zelf is zoet, wanneer dit wordt begrepen. 

Door de eeuwen heen ontwikkelde Lao-tse’s klassieke leer zich in verschillende vormen; de filosofie, het kloosterleven en de volkreligie. Deze kunnen worden samengevat als het Taoïsme. De eenvoudige manier van werken met alles wat er in het leven gebeurt, het te waarderen en ervan te leren. Geluk is het natuurlijke resultaat van deze harmonieuze levenswijze. Met respect voor mens en natuur. Blijmoedige sereniteit en een subtiel gevoel voor humor zijn de meest opvallende kenmerken van een taoïstische persoonlijkheid.

Bodhidharma

Bodhidharma (482-539) was een boeddhistisch leermeester, ook bekend als Daruma Daishi in Sanskriet en Pu Tai Ta Mo in Japans. 
Bodhidharma werd geboren als prins in de Saadili familie in Zuid-India. Hij gaf echter zijn positie op om in de voetsporen van de Boeddha te treden en werd de leerling van Prajnatara. 
Hij trok over de Himalaya naar Tibet en vandaar naar het Chinese hof waar hij keizer Wu Ti, zelf boeddhist, zijn doctrine voorlegde. Deze moest echter niets van zijn gedachten hebben. Hij begreep Bodhidharma’s cryptische uitspraken ook niet, op de vraag, wat voor beloning de keizer zou krijgen in het hiernamaals voor het verspreiden van het boeddhisme en het bouwen van tempels, antwoordde Bodhidharma: “Niets”. 

Bodhidharma vertrok daarop -waarschijnlijk in 526- naar de Berg van het Berenoor in het Sung gebergte, waar de Shaolin tempel gevestigd was. Hij trof de monniken van dit klooster in fysiek slechte staat aan. Zij deden weinig anders dan mediteren en waren daardoor fysiek niet erg fit. Bodhidharma maakte daar een einde aan door een vechtkunst te introduceren als middel om beter aan de fysieke eisen van het mediteren te kunnen voldoen. Er wordt beweerd dat Bodhidharma was getraind in de vechtkunst die kalaripayattu heet, en hieruit de Wushu- vechtkunst in China was ontwikkeld. Bodhidharma benadrukte echter dat deze kunst alleen voor zelfverdediging tegen bijvoorbeeld de bandieten van dit afgelegen oord gebruikt mocht worden. Een van de oudste gezegden van Shaolin is daarom dat ‘iemand die een gevecht begint al onmiddellijk verloren heeft’.

De geschiedenis van deze vechtsporten is zeer vaag. Er zijn ook bronnen die beweren dat Chinese vechtsporten veel ouder zijn, van vóór de tijd van Bodhidharma. In de Taichi wordt o.a. de kluizenaarsserie beoefend. Deze serie bestaat uit 4 bewegingen die lopend worden uitgevoerd.

Boeddha

Gautama Boeddha was een spirituele leider die leefde van 566 v. Chr. tot 486 v. Chr. in India Gautama Boeddha bereikte complete en volledige verlichting (het Boeddhaschap). De correcte Nederlandse uitspraak van (het sanskriet woord) Gautama is Gotama. Gautama Boeddha wordt ook wel de Sakyamuni Boeddha genoemd en werd geboren als Siddhartha Gautama. De naam Siddhartha betekent: hij, wiens doel is volbracht of van wie elke wens vervuld is. Vaak wordt hij kortweg “de Boeddha” of “Boeddha” genoemd. Gautama Boeddha is de meest recente Boeddha in een reeks van minimaal 28 Boeddhas De titel Boeddha behoord toe aan iemand die op eigen kracht, zonder leraar, de Dhamma ontdekt heeft en verlichting heeft bereikt.

Het levensverhaal van de Boeddha is in het boeddhisme een voorbeeld en inspiratiebron voor het bereiken van verlichting. Siddharta Gautama werd geboren te Lumbini, tegenwoordig in het zuiden van Nepal. Zijn geboorteland was het land van de Sakya’s. De naam Sakyamuni is een verwijzing naar de Sakya’s: letterlijk betekend het de wijze van de Sakya’s.Volgens traditie was Siddhartha Gautama een prins, zijn ouders hadden van diverse wijzen te horen hadden gekregen dat hun kind óf een onovertrefferlijk grote heerser zou worden, óf alle aardse goederen zou verwerpen en het Boeddhaschap zou bereiken. Aangezien zijn vader de eerste voorspelling prefereerde werd hij omringd met de beste spullen die er op aarde waren, zodat hij in zijn leven geen ontevredenheid of nare dingen zou ervaren. Hij zou dan geen afstand hoeven te doen van zijn aardse bezittingen. Zijn vader bouwde 3 paleizen en Siddhartha Gautama bracht al zijn tijd door binnen de hoge muren van het paleis. Zo gingen de eerste 29 jaar van zijn leven voorbij. Na 29 jaar ging hij echter diep nadenken over het leven en wilde zien hoe het ‘echte’ leven buiten het paleis was. Stiekem ging hij ‘s-nachts de stad in, samen met zijn bediende. Tot zijn grote schok zag hij een oude man, een zieke man en een dode man. Omdat hij door zijn beschermde opvoeding nog nooit een oude, zieke of dode man had gezien, vroeg hij zijn bediende om uitleg. Hij kreeg te horen dat alle mensen oud worden, ziektes oplopen en doodgaan. Dat dit een normaal iets is. Ook zag Siddhartha Gautama een kalme en beheerste monnik voorbijlopen. Hij vroeg zijn bediende wat dit voor man was, en kreeg te horen dat het een monnik was, die vrijwillig zijn bezittingen heeft opgegeven en een leven van eenvoud leidt, gericht op spirituele ontwikkeling. Kort daarna verliet Siddhartha het paleis en familie en ging leven als een monnik in de bossen van India. In Benarès studeerde hij met twee zeer bekende en gerespecteerde meesters, en bekwaamde zich snel in hun leer. Hij vond echter dat hun leer geen oplossing was voor het lijden dat hij nog steeds ervoer. Daarna ging hij zijn eigen weg en begon een 6 jaar lange periode van zelfkastijding en zelfpijniging. Hij leefde ver van de samenleving, alleen in de bossen en at zeer  weinig voedsel en werd zo mager dat hij bijna overleed.

Na 6 jaar kwam hij tot het inzicht dat zelf-pijniging niet naar verlichting en het einde aan het lijden lijdt. Hij vond een middenweg tussen het streven naar sensueel plezier en de zelfkastijding en besloot te mediteren onder een Bodhi boom in Bodhgaya totdat hij volledige verlichting zou bereiken óf zou sterven. De volgende ochtend rond zonsopgang bereikte hij de verlichting. Vanaf toen was hij Siddhartha Gautama, de Boeddha. Hij was toen 35 jaar. Hij begon zijn nieuw gevonden inzicht aan anderen te onderwijzen. Gedurende 45 jaar reisde hij door de toenmalige staten van Noord-India. Hij werd een zeer hoog gerespecteerde sprirituele leider, en de koningen van de twee grootste staten (Kosala en Magadha) werden zijn discipel, samen met vele andere mensen uit alle lagen van de bevolking. Veel mensen besloten monnik (bhikkhu) of non (bhikkhuni) te worden in de monastische orde (de Sangha) van de Boeddha. Op 80-jarige leeftijd overleed hij in de plaats Kushinagar. Zijn toespraken en leringen werden onthouden en zijn later neergeschreven in de Pali Canon.

Het Boeddhisme is van invloed geweest op de Chinese cultuur, denk aan alle kloosters en monniken. Enkele monniken hebben een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de Taichi en Qigong.

Confucius

Deze Chinese wijsgeer was een vroom en religieus mens, die zich ervan weerhield om theologische meningen uiteen te zetten. Onder de algemene term ‘hemel’ vatte hij samen de geestelijke en oorzakelijke factoren, die de materiële schepsels bezielen en leiden. Voor hem waren de bevelen van de hemel absoluut en onveranderlijk. Alle dingen blijven voortbestaan in overeenstemming met de verordeningen van de hemel. Verder dan dit riskeerde hij zelden iets en liet metafysische (bovenzinnelijke) beschouwingen over aan mensen, die meer geneigd waren tot het abstracte. De centrale gedachte van het Confucianisme kan worden samengevat in de eenvoudige stelling; dat de wijsheid van het verleden de deugdzaamheid van het heden ondersteunt, en dat de deugd van het heden het welzijn van de toekomst verzekert.

Kong Fu-zi werd geboren 551 voor Christus (in 1999 was dat 2550 jaar geleden) in Qufu (Lu, de huidige provincie Shandong). Hij overleed in 479 voor Christus. Zijn vader stierf toen hij drie was, maar ondanks de armoede die hiervan het gevolg was, genoot Kong een verzorgde opvoeding. Hij huwde toen hij 19 was en werd leraar na de dood van zijn moeder. Ruim 20 % van bevolking in Qufu (spreek uit: Chü-fu) heet nog Kong. Er is recentelijk door de Post-Mao communisten een pretpark gebouwd, een soort Disney Kong, met een Confuciusparcours, Confuciuspostzegels, souvenirs, kalenders en zelfs een Confucius-karaoke. Het lokte het eerste jaar al drie miljoen bezoekers. In de jaren zestig en zeventig hadden de maoïsten het confucianisme nochtans bestreden, mede om dat “het gezin” één van de vaste waarden is. Het confucianisme is geen godsdienst, maar eerder een levenshouding en een filosofie. Er zijn geen kerken of priesters, wel tempels voor ceremoniëlen. Confucius en zijn opvolger Meng-zi (Mencius; 371-288 voor Christus) legden de nadruk op een humaan bestuur boven een gezagshandhaving door geweld. Zij legden de grondslag van de nog altijd bestaande Chinese traditie dat de heersers zich ten aanzien van het volk, dat aan hun zorgen is toevertrouwd, zich moeten gedragen als ‘vader en moeder’. Hun argument was, doe anderen niet aan, wat je zelf niet wenst te ondergaan.

Een stelregel was dat het vermogen van de mens onbeperkt is en dat men promotie moet maken op grond van zijn bekwaamheid en niet op basis van zijn afkomst. Alle loopbanen stonden dus open voor alle talenten. Zeer snel ging men ambtenaren benoemen na vergelijkende examens, of ‘confuciaanse examens’, een Chinese eigenheid die veel eeuwen de Chinese turbulenties overleefde. Deze examens duurden negen dagen en werden om de drie jaren ingericht.

Kong’s theorie wou ook dat de heerser zijn macht ontleende aan ‘Het Hemels Mandaat’. Hij verloor dit als hij zich schuldig maakte aan “onkoninklijk” gedrag. Op deze manier was een opstand tegen een slechte vorst of het omver werpen van een corrupte dynastie gerechtvaardigd. Sleutelwoord van het confucianisme is jen, dat tegelijk liefde, goedheid en menselijkheid betekent. Vaste waarden waren deugden als; piëteit (shu), trouw (chung), betrouwbaarheid en respect voor de ouders (vooral de vader). Wie al deze waarden verenigde mocht zich een chün-tzu noemen, een perfecte gentleman. Morele beginselen hadden vooral tot doel de openbare orde te bewaren en waren geen godsgeboden. Kong legt bijvoorbeeld de nadruk op rituelen en ceremoniëlen, maar dit was alleen bedoeld om de gewone beleefdheid in de samenleving te handhaven. Een harmonische samenleving kon alleen bestaan wanneer op alle vlakken zeden en gewoonten van overleveringen en tradities gekend waren en dat men die nauwkeurig bestudeerde en ook in acht nam. Confucius stelde zijn leer niet te boek. Dat deden enkele discipelen. Eén van de meest betrouwbare bronnen over zijn leven en zijn gedachtengoed is Lun Yü. Zijn ideeën en die van zijn discipelen zijn ook geboekt in Shi Shu (de Vier Boeken), de confuciaanse lectuur voor vele generaties.

Lao-tse

Laozi (ook gespeld als Lao Tzu, Lao Tse en vele andere varianten) was een Chinese filosoof uit de 6e eeuw voor Christus en is naar men zegt de stichter van het taoïsme. Het is onzeker dat Laozi [Chinees: 老, oude meester ofwel meester Lao] een historisch figuur is. Zijn biografie in De Verslagen van een Historicus (eerste eeuw voor Christus) stelt dat hij een tijdgenoot was van Confucius en diende als curator van de dynastieke archieven tot hij zich terugtrok in het Kunlun-gebergte.

Het verhaal vertelt dat Laozi enige tijd als filosoof rondtrok, maar niemand naar zijn waarheden wilde luisteren. Uiteindelijk gaf hij het op de mensen goede raad te geven en besloot de beschaafde wereld, in dit geval China, te verlaten. Aan de westgrens kwam Laozi echter een poortwachter tegen, die hem wist over te halen zijn ideeën in elk geval op te schrijven, omdat het toch zonde zou zijn als die helemaal verloren zouden gaan. Laozi schreef hierop de Tao Te Ching. Het aan Laozi toegeschreven werk, de Tao Te Ching (Boek van Weg en Deugd), is een verzameling van 81 korte Chinese teksten. Het is echter waarschijnlijk dat de Tao Te Ching niet door één auteur geschreven is, maar dat het een verzameling wijsheden is. Geleerden dateren het werk uit de tweede eeuw voor Christus.

Taoisme

Tao-Te King

Tao-Te King is na de Bijbel het meest vertaalde boek ter wereld en alleen al om die reden is dit werk een nader onderzoek waard. Het boek is met slechts 5000 woorden weliswaar zeer klein, maar veel ontoegankelijker dan de Bijbel. Wie de Chinese taal niet beheerst, kan daarom het beste verschillende vertalingen lezen en zelf vergelijkenderwijs vaststellen welke interpretatie als geheel het best voldoet.

Het Tao-Te King – of in een andere schrijfwijze het Boek van Dau en De – is ontstaan na een sociale evolutie, waarin de auteur Lao-Tse een aantal zwakheden in onze samenleving vaststelt. Lao-Tse beschrijft de oorspronkelijk paradijselijke samenleving, de oorzaken en gevolgen van de evolutie en een passende remedie voor de opgetreden problemen. 
Het Tao (uitgesproken als Tau) is in feite het evangelische ‘Woord’, de Logos, dat zowel God als goddelijke Wet of Macht betekent. Om redenen, die wij pas later begrijpen, is het Tao naamloos. Het Tao schept een vrouwelijk Yin en een mannelijk Yang in alle dingen. Het Te is de in ons wonende kracht, die de schepping voortstuwt, te vergelijken met de kiemkracht van een zaadje. Het Te is de zichtbare manifestatie van het onzichtbare en oneindige

Tao. Lao-Tse onderscheidt twee soorten leiders: heersers en wijzen. De heerser ontleent zijn overwicht over andere mensen aan fysiek geweld, aan een superieure feitenkennis of aan zijn retorische kwaliteiten. Wij herkennen daarin de dictators, de schriftgeleerden en de praatjesmakers. Daartegenover staat de wijze, die het Tao en Te begrijpt en daarnaar leeft.

De zondeval

In het Tao-Te King beschrijft Lao-Tse hoe de mens in de paradijselijke tijd “met het hoogste Te” in evenwicht met de natuur heeft geleefd. De onwetende mens en het dier leefden destijds in onschuld en samen vormden zij tot de zondeval één grote stam. Deze zondeval vindt in meerdere etappes plaats: Schriftgeleerden beginnen met de definitie van goed en kwaad. Zij geven alle begrippen een naam of een titel. Met deze titels en namen gaat echter de oorspronkelijke samenhang en de eenheid van de stam verloren. De mensen worden onderscheiden in leiders en onwetenden. De titels gaan vervolgens een eigen leven leiden. Er ontstaan onenigheid, haat en nijd. Geweld regeert vanaf dat tijdstip onze samenleving. De steden worden het centrum van materiële en geestelijke macht en daarmee ook van list en bedrog. In de overvloed van het stedelijke leven houden de mensen zich met overbodige onzin bezig. Overdaad schaadt en schept verwarring. De mensen worden ongelukkig …

Lao-Tse beschrijft de remedie, die ons terug kan leiden naar de oorspronkelijke, paradijselijke toestand. Daartoe schaffen wij eerst de titels en namen af. Teruggetrokken wijzen leiden het volk onopvallend en zonder winstbejag. De bevolking verlaat de steden en keert terug tot de kinderlijke onschuld van het dorpsleven, waarin geen overdaad de mens van zijn aangeboren sociale gedrag kan afbrengen. Dan verdwijnt ook het verschil tussen goed en kwaad, arm en rijk. Zo wordt de terugkeer naar het Tao voltooid. 
De zondeval in Tao-Te King is vergelijkbaar met de zondeval van Adam en Eva. Ook de aanbeveling van wijze leiders vinden wij elders terug: Plato stelt immers voor, de ideale staat door filosofen te laten besturen. De oostelijke en westelijke filosofen zijn het op dat gebied met elkaar eens.

De twintigste eeuw

Wij weten echter 2500 jaar later, in de twintigste eeuw, dat de terugkeer naar de paradijselijke maatschappij zonder steden, zonder hiërarchie en zonder overdaad niet mogelijk is. De evolutie gaat een eenmaal ingeslagen weg niet terug, maar uitsluitend naar voren. En ook dit is tao. Alleen steden kunnen onze snel groeiende bevolking herbergen. De explosieve groei van de bevolking vereist een daadkrachtig bestuur, dat snel de juiste beslissingen kan nemen. Dat is alleen mogelijk onder een hiërarchische leiding, zoals wij deze uit militaire organisaties kennen. De willekeur van de heersers hebben wij met behulp van de democratie met redelijk succes aan banden gelegd. Het efficiënte, hiërarchische systeem van de politiek en defensie wordt in middels ook in de handel en industrie toegepast, maar op dit gebied is de willekeur van de vrije markt nog onbegrensd. Er heerst weliswaar een grote en groeiende kloof tussen arm en rijk, maar onze samenleving profiteert ook van de inspanning, die aan de welvaart voorafgaat. De sociale wetgeving compenseert een gedeelte van het onrecht en de onrust, die de ongelijke verdeling van de rijkdom teweegbrengt. Het is een rit op de rug van een tijger, dat is waar, maar wij kunnen die rug niet eenvoudig verlaten.

De Tao-Te King heeft voor de moderne mens een paar verbluffende raadgevingen in petto. Ons onderwijssysteem concentreert zich volgens Lao-Tse op de opleiding van heersers en verwaarloost de wijzen. Omdat deze twee naar tegenstrijdige doelen leiden, moeten wij voor één van beiden kiezen. De universiteiten en scholen in het westen met hun cijferlijsten en examens vormen ons tot heersers. Om vroeg of laat toch een wijze te worden moeten wij volgens Lao-Tse de ballast van deze overbodige opleiding of opvoeding, afleren en afwerpen . De wijze doorziet daarnaast, dat titels en cijfers de balans van onze samenleving en de vrede verstoren. Titels en cijfers scheppen onrust en verwarring. Wie op jonge leeftijd intuïtief een wijze wil worden, is om deze redenen voor ons onderwijssysteem en in onze ondernemingen ongeschikt en loopt in onze westerse maatschappij een grote kans een misfit te worden en als outcast te eindigen. De meeste outcasts worden kunstenaar of zwerver.

Zelfkennis en zelfbeheersing

Volgens Lao-Tse is het belangrijk, niet in de waan van de alwetendheid te vervallen. Niet alleen is onze kennis en bovenal onze kennis over het weten begrensd. Ook teveel kennis is schadelijk. Wie meer dan nodig weet of doet, doet overbodige dingen. Ook hier geldt: overdaad schaadt. Zelfkennis en zelfbeheersing zijn de belangrijkste deugden:

  • Wie anderen kent, is slim
  • Wie zichzelf kent, heeft inzicht
  • Wie anderen bedwingt, is sterk
  • Wie zichzelf beheerst, is oppermachtig
  • Wie weet, wat genoeg is, is rijk
  • Wie volhoudt, weet waarheen hij wil
  • Wie zijn ziel niet verliest, blijft lang behouden
  • Wie sterft zonder te vergaan, leeft eeuwig voort

Uiteraard is ook het vergaren van rijkdom en bezit voor de ware wijze een ballast, die ons van het Tao en Te verwijdert. Overdaad schaadt.

Opvallend is ook de houding ten opzichte van vijanden. De wijze concentreert zich op samenwerking en zal geweld zo lang mogelijk vermijden. Het geweld van de overwinning draagt de kiem van de terugslag reeds in zich: wie trots is op zijn overwinning, heeft de eerste tegenslag al te pakken. De wijze gebruikt wapenen en geweld alleen in noodweer en is bij een overwinning even treurig als de overwonnene.

Het Tao-Te King lijkt in een aantal opzichten op de leer van Confucius, die eveneens enkele eeuwen voor Christus is ontstaan. Er zijn echter ook belangrijke verschillen. Waar Confucius gelooft in de hiërarchie in de hemel en op aarde, wijst Lao-Tse elke hiërarchie als ondeugdelijk af. Het onpersoonlijke en oneindige Tao verleent geen gunsten, kent geen straffen en geen genade. Straffen zijn een automatisch gevolg van het eigen, ondeugdelijke handelen. 
Het Tao-Te King oefent in het Verre Oosten nog steeds een grote invloed uit. De echte wijsheid wordt (naast de moderne wetenschappen) in het Verre Oosten nog steeds geleerd. In het Westen behoren de meeste, professionele filosofen niet tot de categorie der wijzen, die Lao-Tse beschrijft. De werkelijke wijzen werken in oost en west op de achtergrond.

In het Verre Oosten is de samenwerking en het gemeenschappelijke doel van elementair belang voor de samenleving. In het Westen vinden wij de individuele prestatie en de concurrentie op de eerste plaats. 
Leiders, niet alleen directeuren en presidenten, maar ook kunstenaars en popsterren treden in het Oosten minder op de voorgrond dan in het Westen. China noemt zichzelf in onze samenleving bewust een derde-wereldland, omdat Tao-Te King ons adviseert, nederig te zijn.

In onze ogen is de westerse samenleving superieur, omdat wij hier de grootste materiële welvaart registreren. Dit is echter een oppervlakkig oordeel. De westerse welvaart berust op een labiel systeem en de kern van de ondergang is in een snel groeiend systeem reeds gelegd. De kracht van het Oosten ligt in de stabiliteit op lange duur, omdat het Oosten de drie deugden van het Tao nog steeds respecteert: medelijden, matigheid en de angst, om voorop te moeten lopen.

Naar Hans Richter